De verschillende takken van de familie Feringa / Veringa.

 

Dhr. Ebeling heeft in 1444 een Bene Verynge in Ees (Dr.) gevonden (Ord. Etstoel no. 2423) en aldaar ook een Johan Verynge in 1494 (Inv. arch. kloosters no 822). De naam Feringa wordt eind 15e eeuw al gesignaleerd in het Friese Kollum (Eje of Ije) en in 1508 bij Sebaldeburen in het Groningse Westerkwartier (Meyne Feringa, zie link ).. In “De Ommelander Borgen en Steenhuizen” van Forsma wordt vermeld dat in de 16e eeuw al diverse leden van een familie Feringe aan worden getroffen, met name Pabe, Jelto en Itke. Pabe Feringe wordt ook genoemd in "Tussen Hunze en Lauwers" van G.H. Ligterink, als een van de grote heerdenbezitters  die in 1520 veroordeeld wordt door de Westerwarf te Groningen. In het zelfde boek staat vermeld dat op Aykemaheerd in de Westerhorn kort na 1500 zich een handgemeen afspeelt waar Lubbe Feringa van Lutjegast-Noord bij betrokken is. In 1573 huurt ene Weghe Feringa kerkeland; samen met Allert Boykema en Johan Ennens is hij eigenaar van 14 grazen land in Ezinge (uit "Een vergeten plattelandselite" van H. Feenstra en H.H. Oudman).

¤ Rond 1650 wordt in Niehove (Gr.) Eje Hillies Feringa geboren op de hoeve Westerpama. Hij komt uit een voorname familie (vader heet Eje Jeltes Feringa, zijn grootvader dus zeer vermoedelijk Jelte Feringa) van hovelingen en compareert op de landdag. Hij had drie dochters, één ervan, Tietje Ejes, noemt echter haar enige zoon Eje Feringa! Haar beide dochters krijgen de achternaam naam Kimminga. Ik verkeerde in de veronderstelling dat deze tak uitgestorven was, door een Amerikaanse Feringa werd ik echter onlangs geïnformeerd dat hij afstamt van deze tak. Tietje, haar echtgenoot en haar zoon liggen begraven in de kerk van Niehove:

Anno 1749, den 15 january, is de eerbare Eje Feringa, zone van hoveling Cornelis Peters en Tietie Ejes Feringa, in haar leven woonagtig op Westerpama in het caspel Niehove, in 48 jaar zynes ouderdoms seer christelyk in den Heere ontslapen, verwagtende met alle waar gelovige een vrolyke opstandinge door jesum Christum onsen Heere.

Wapen: Gevierendeeld: I een halve adelaar; II op een terras een tegen een boom klimmend omgewend hert met een groot gewei; II drie klaverbladen; IV een met twee pijlen van boven naar beneden schuinkruislings doorstoken mensenhart.

¤ In 1658 gaat de edelsmid Geert Feringa in ondertrouw in de stad Groningen, hij is afkomstig uit Collum (Kollum). Hij krijgt 4 kinderen, alleen van dochter Regina zijn later nog sporen terug te vinden als echtgenote en moeder.

 ¤ Daniel de Hertoghe, geboren in Sluis in 1641, trekt met zijn stiefouders mee naar Groningen. In 1658 gaat hij studeren aan de universiteit, in 1666 koopt hij het huis Glimmen en in in 1669 huwt hij Cecilia Elisabeth Tamminga van Ludema, waardoor hij verbinding kreeg met de Ommelander adel en voor Uskwerd mag compareren op de landdag. In 1673 koopt hij de borg Feringa bij Grootegast van de weduwe Ketel. Vanaf dat moment voert zijn familie de titel “van Feringa” en compareert hij op de landdag voor Grootegast. Na zijn overlijden erft de oudste zoon Onno Jacob de Hertoghe van Feringa de borg, daarna zijn broer Unico Michiel. De borg wordt in 1746 afgebroken, vermoedelijk omdat door huwelijk en erfenissen de erfgenamen teveel steenhuizen moesten onderhouden. In 1812 sterft het geslacht in de mannelijke lijn uit. Zowel in de Menkemaborg (stamboom) als de borg Verhildersum (schilderij) komen we leden van dit geslacht tegen.

¤ In 1695 trouwt Ecke Jacobszn te Oldehove (Gr.), in 1696 wordt hij als bejaard persoon gedoopt in de Nederduits-Gereformeerde kerk te Oldehove. Hij heeft twee zoons, Jacob Eckeszn en Tymen Eckeszn Feringa. Al hun nakomelingen heten Feringa, deze tak bestaat nog. Over deze tak heeft K. Feringa een boek geschreven “Het geslacht Feringa”, in te zien in het Rijkarchief te Groningen.

¤ In 1698 wordt in Oldehove Jan Hielkes geboren, zoon van Hielke Jans en Geertje Tjeerds. Hij wordt schoolmeester, koster en doodgraver in Tolbert en krijgt twee kinderen, Pieter Jans Feringa en Hielke Jans Feringa. Pieter Jans Feringa krijgt geen zoons, Hielke Jans Feringa wel en deze tak bestaat in ieder geval nog in Nederland en de Verenigde Staten. De Feringa’s die een belangrijke rol spelen in het boek “Aan het Veen verknocht” van Derk Gort, behoren tot deze tak (nakomelingen van Jan Feringa en Wija Poppen, gehuwd in 1886 te Onstwedde).

¤ Vanaf 1715 krijgt de Rooms-katholieke stad-Groninger Jacob Geersema 5 kinderen. Zijn zoon Joannis Geersma (ook wel Jan Geertsema) krijgt drie kinderen. De familie lijkt uitgestorven te zijn, ware het niet dat Jan’s kleinzoon Wilhelmus Bartholomeus als Wilhelm Feringa in 1829 opduikt als bruidegom in Twist (D.), een dorp in de katholieke streek langs de Drentse grens. Wilhelm en de meeste van zijn nakomelingen trekken rond 1865 naar de de andere kant van de grens, wat we nu kennen als de dorpen Emmer-Compascuum, Barger-Compascuum en Zwartemeer. Dit waren voorheen onbewoonde streken, waar eeuwen lang vee geweid werd (in het Latijn compascii), eigendom van de Barger boeren. De Barger boeren verkochten dit gebied in 1860. De nieuwe eigenaren verpachtten – in afwachting van vervening – de grond aan arbeiders voor de verbouw van boekweit. Bij het contact met de burgerlijke stand van de gemeente Emmen kregen bijna alle Feringa’s de naam Veringa aangemeten. De latere minister G.H. Veringa is een van de leden van deze inmiddels grote tak Feringa’s / Veringa’s. Omdat Wilhelm Feringa geboren is met een andere achternaam en op zijn overlijdensakte de juiste geboortedatum, maar het verkeerde geboortejaar (1805 i.p.v. 1801) voorkwam, heeft het lang geduurd voordat ik zijn doop uiteindelijk had getraceerd in de RK kerkboeken in Groningen. Bij de dood van zijn moeder in 1808 blijkt dat Wilhelm nog leeft, over zijn wedervaren in de periode tussen 1808 en 1829 heb ik nog niets kunnen vinden.

Bovenstaande Wilhelm zal de naam Feringa hebben aangenomen. Dit gebeurde veelal in de Franse tijd (in 1811 of 1812) of bij de tweede achternaam-campagne van de Nederlandse overheid in 1826. Omdat Wilhelm’s vader overlijdt in 1819 in Groningen onder de naam Geertsema, neem ik aan dat Wilhelm het na 1819 gedaan heeft.

¤ In 1717 trouwt in Grijpskerk (Gr.) Jelte Ijes Feringa. Gezien de voornaam Jelte sluit ik verwantschap met andere takken niet uit, maar vooralsnog heb ik verwantschap niet kunnen aantonen. De mannelijke lijn van deze familie sterft uit. In deze familie doet zich overigens ook een geval van het doorgeven van een achternaam van de moeder voor, namelijk van de dochter van Jelte Ijes naar haar zoon Hillebrand.

¤ In 1771 trouwt Haje Jacobs, zoon van Jacob Hayes en Anke Gerrits, in Feerwerd (ten Noord-Westen van Groningen). Bij zijn kinderen (vanaf 1772) verschijnt de achternaam Feringa. Hij had 4 zoons, vooralsnog lijkt het erop dat hier de mannelijke lijn uitgestorven is, maar daar heb ik nog geen uitputtend onderzoek naar gedaan.

¤ In 1777 wordt Jan Jeltes Feringa geboren in Noordhorn (Gr.), zoon van Jelte Jans Feringa en Grietje Kornelis Dijksterhuis. Jan Jeltes en zijn broer Kornelis (notabele in Oxwerd, bij Noordhorn) hebben geen nakomelingen.

¤ In 1795 doopt Onne Berends zijn vierde kind als Barber Onnes Feringa in Grijpskerk (Gr.). Deze tak bestaat nog. Voor meer informatie: http://members.chello.nl/~c.feringa/

¤ In 1807 wordt Eije Menses Feringa in Niehove (Gr.) vader van Attje Eijes Feringa. Hij krijgt geen zoons.

 

Als Napoleon voorschrijft dat iedereen een achternaam aanneemt, kiezen verschillende mensen in 1811/1812 voor de naam Feringa of een variant ervan:

·         Gerrit Eelderts Feringa, 1811, Lemmer (Fr.).

·         Nieske Jetses Veeringa, 1811, Kollum (Fr.).

·         Jan Jans Huning, hierna bekend als Jan Jesias Veringa, 1811, Makkum (Fr.). Deze familie Huning komt oorspronkelijk uit Düsseldorf (D.). Zie www.veringa.org

·         Gerrit Everts Ferenga, 27-4-1812, Grijpskerk (Gr.). Hij tekent echter als Feringa.

·         Hillebrand Freerks Feringa, 27-4-1812, Grijpskerk (Gr.).

·         Freerk Hillebrands Feringa, 29-4-1812, Grijpskerk (Gr.).

·         Jan Wobbes Feringa, 28-4-1812, Grijpskerk (Gr.). Hij tekent als Jan Wobbes Feerenga.

·         Jan Menses Feringa, 28-5-1812, Visvliet (Gr.).

·         Laas Geutjens Feringa, 28-5-1812, Visvliet (Gr.).

·         Jacob Hayes Feeringa, 16-4-1812, Feerwerd (Gr.). Vermoedelijk de vader of de oudste zoon van bovengenoemde Haje Jacobs.

·         De kinderen en stiefkinderen van wijlen Ida Reinks en Haye Jacobs (bovengenoemd), 17-4-1812, Feerwerd (Gr.). Aangevraagd door hun stedevader Date Dates Tempel.

Helaas zijn in de provincie en met name de stad Groningen weinig gegevens bewaard gebleven van de naamsaannames, waardoor allerminst duidelijk is of bovenstaand overzicht compleet is.

Verder ben ik met name in de 2e helft van de 18e eeuw en de 1e helft van de 19e eeuw nog een hoop ‘losse’ Feringa’s tegengekomen, waarvan nog moet blijken of ze onder te brengen zijn bij één van bovengenoemde takken.

Opvallend is dat afgezien van de Drentse Verynge’s, de in Duitsland opduikende Wilhelm Feringa en twee gevallen te Lemmer en Makkum, alle Feringa’s lijken te ontstaan in een relatief klein gebied in het Groningse Westerkwartier (Niehove, Oldehove, Feerwerd, Grijpskerk, Sebaldeburen, Visvliet, Noordhorn) en het nabijgelegen Kollum.

 

Home